Is de Prijs der Nederlandse Letteren van de Nederlandse Taalunie werkelijk de meest prestigieuze onderscheiding in het Nederlands taalgebied? Jeroen Brouwers, die deze prijs in 2007 te beurt viel, toont aan van niet. Het aan deze zogenaamde "Nobelprijs der Lage Landen" verbonden geldbedrag van 16 000 euro blijft ver achter bij dat van andere Nederlandse en Vlaamse prijzen. Brouwers weigerde de prijs en legt in dit "vloekschrift" uit waarom. Zijn teleurstelling gold niet uitsluitend het keutelige geldbedrag van 16 000 euro, dat in geen drie decennia bleek te zijn verhoogd, er was meer dat zijn verontwaardiging en woede opwekte, een boosheid van vele jaren, gegroeid tijdens zijn hele literaire loopbaan. Wat verdient een schrijver eigenlijk, waarom wordt de aanleveraar van de handelswaar (het boek) afgescheept met het geringste percentage van de opbrengst? Wat heeft het literatuurvijandige Nederlandse en Belgische koningshuis met deze "flutprijs" te maken, vraagt de republikein, democraat, antimonarchist Brouwer zich af. Wat voert die Taalunie eigenlijk uit en wat telt Plasterk voor als minister van Cultuur? In het persbericht over de toekenning van de Prijs werd Brouwers geprezen omdat hij "in de naoorlogse Nederlandstalige literatuur bakens heeft uitgezet en verzet". Toen zijn ergernissen rondom deze onderscheiding zich tot een berg hadden opgehoopt, vond de schrijver dat hij maar weer eens wat bakens moest uit- of verzetten en begon ze met de moed der wanhoop tegen die steile berg omhoog te sjorren. Vruchteloos zoals Sisyphus

Reacties (1)
Engelmundus
Sinds ik in 1985 mijn eerste Brouwers las (Winterlicht), is mijn literaire beleving definitief veranderd. Paul de Wispelaere zei ooit dat iemands leven niet meer hetzelfde zou zijn nadat hij of zij Proust had gelezen. Dat kan ik beamen, maar de impact die het werk van Brouwers op mij en mijn leven heeft gehad, is minstens van dezelfde orde. In mijn boekenkast prijkt nu een aanzienlijk aantal werken van zijn hand, 51 om precies te zijn. Alle gelezen, sommige veelvuldig. Ik ben, geloof ik, wel een ‘fan’. Ieder nieuw boek wordt direct na uitkomen door mij verslonden. Zoals ook zijn laatsteling: Sisyphus’ bakens. Prachtige titel en weer een formidabel ‘vloekschrift’. Wat een polemist is die man! Zo aimabel in de omgang, zo vilein en onnavolgbaar erudiet en onweerlegbaar in zijn polemische geschriften.
Het kan niet anders of het hele instituut taalunie, waar hij geen spaan van heel laat, zal hier iets van gaan voelen (‘Rol dat instituutje toch op als een sleets karpet (…) en geef die twaalf miljoen subsidie als supplement aan het Fonds voor de Letteren ten behoeve van taalkunstenaars die amper te vreten hebben’ p.86).
Ook de figuur van minister Plasterk (Ha) heeft een flinke imagoknauw gekregen, wat hij toch werkelijk geheel aan zichzelf heeft te danken. Alleen al voor het bedenken van de talloze humoristische, pijnlijke en krenkende aanduidingen van deze cultuurminister verdient Brouwers een prijs.
De Belgische en Nederlandse koningshuizen worden flink afgezeken (‘Het Hof en literatuur, dat knarst en stagneert als zand in een precieus geconstrueerd uurwerk, waarmee ik de literatuur bedoel, dat disharmonieert als het geblaf van een rockgitaar bij een aria van Vivaldi, dat verdraagt elkaar niet’ p.14).
Ook de praktijken van uitgevers, leesbevorderingsinitiatieven en wat al dies meer zij worden ontrafeld en ontleed (‘”Honorariumprocentjes”. Roep dit woord voor de lol eens in een echoput. Krijg je terug waar het werkelijk om handelt: …centjes …centjes.’ p.30). Het inkijkje dat de oude meester geeft in het financiële watergetrappel van een fulltime schrijver, mag schrijnend worden genoemd.
Hier en daar kreeg ik buikpijn van het schaterlachen, hier en daar moest ik een traantje van plaatsvervangende schaamte wegpinken en hier en daar voelde ik woede in mij opborrelen. Kortom, Brouwers had weer een overdaad aan gram opgespaard dat hij in Sisyphus’s bakens in hoog tempo en met vlijmscherpe humor en taalvirtuositeit over de lezer uitstort. Zijn metaforen zijn als altijd weergaloos. Over de ‘krantencommentatortjes die je persoon en werk bepissen uit eigen frustraties’ zegt hij alleen dat ze nu eenmaal bij het vak van schrijver horen, ‘zoals betonspecie in de couiffure van majesteit’. Even onwenselijk als onvermijdelijk.
Voor de uitvoerige en sterk beargumenteerde uiteenzetting van het waarom van zijn weigering de prijs der nederlandse letteren (geen hoofdletters) te aanvaarden, leze men dit nieuwe meesterwerk van Jeroen Brouwers. Als er iemand in Nederland een verheugend telefoontje uit Stockholm, met navenant verheugend prijzengeld, verdient, is hij het wel!